Mijn jaren met Jezus – Age Romkes

Het verhaal van zijn geliefde leerling

In ‘Mijn jaren met Jezus’ worden het Evangelie en de Brieven van Johannes opnieuw verteld in hedendaags Nederlands. De bedoeling van de schrijver is om de drempel naar de Bijbel te verlagen.

Veel christenen geven aan dat ze vaker en langer in de Bijbel zouden willen lezen, maar dat ze daar maar moeilijk toe komen. Mijns inziens is Age Romkes er heel goed in geslaagd om het Evangelie en de Brieven van Johannes toegankelijker te maken. Hij heeft een zeer prettige en boeiende schrijfstijl en de gave om de lezer mee te nemen in het leven van Johannes, Jezus’ geliefde leerling.

Als Johannes ongeveer vijftig jaar het Evangelie van Jezus Christus verkondigd heeft en oud geworden is, gaat hij er eens voor zitten om zijn belevenissen op te schrijven. Het wordt als het ware een dagboek. Hij vertelt alles wat hij gezien en gehoord heeft en hoe hij deze gebeurtenissen heeft ervaren. Geregeld licht hij iets toe, waardoor wij – zoveel eeuwen later – zijn leefwereld beter kunnen begrijpen. Zo schrijft hij over de keizerverering in Efeze, waar hij woont als hij zijn Evangelie en Brieven schrijft. Christenen worden steeds meer als staatsgevaarlijk gezien en het gebeurt dat christelijke voorgangers gevangen worden genomen of verbannen. ‘Wie weet wanneer ik aan de beurt ben? Het wordt tijd om mijn herinneringen op te schrijven. Voor het te laat is …’ (blz. 16).

Het boek, dat ingedeeld is in korte hoofdstukjes, kan gebruikt worden als dag- of leesboek en het is ook zeer geschikt voor persoonlijke Bijbelstudie of een Bijbelkring. Ieder hoofdstukje wordt afgerond met enkele overdenkingsvragen en er zijn achttien pagina’s opgenomen die meer bedoeld zijn als gespreksvragen voor een Bijbelkring. Bijzonder verrijkend zijn de verduidelijkingen van de tekstverwijzingen naar het Oude Testament en de noten achterin het boek.

Van harte aanbevolen!

Als ik deze recensie schrijf, is het bijna Goede Vrijdag. Daarom wil ik graag afsluiten met het volgende citaat: ‘Bij het kruis van Jezus stonden ook zijn moeder en zijn tante, en ook Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder in het oog kreeg en zag dat ik bij haar stond, zei hij tegen haar: ‘Mevrouw, dat is uw zoon’. En tegen mij: ‘Dat is je moeder’. Zo droeg hij zijn moeder over aan mijn zorg en daarna nam ik haar bij mij in huis’ (blz. 141).

Ik hoop, beste lezer, dat ook jij opgebouwd zult worden in je geloof door wat ik geschreven heb! (Johannes)